In het begin van de 16de eeuw, tijdens de overheersing van Mexico, hebben de spanjaarden cacao ontdekt.
Voor de autochtone bevolking (de Azteken), was de cacao-boon van goddelijke afkomst. Dat is de reden waarom Linnaeus de cacao boom Theobroma noemde (Theobroma = voedsel van de goden).
De bonen werden geroosterd en fijn gemalen, dan verdund met water om een wazige drank te bekomen. Daarbij werd er vanille en andere kruiden bijgevoegd. De Azteken noemden dit mengsel “cacau-atl”.
Bij de spaanse thuiskomst, ging het nieuws snel en hun recept werd gebruikt in heel Europa. Rond 1700, was de cacao-drank (waarbij honing en suiker was bijgevoegd) wijds gekend.
De koloniale machten van toen hebben de cacao boom geëxporteerd naar Afrika en Azië.
Productie, consumptie en handelen van cacao is steeds vermeerderd. Maar pas nadat Van Houten in de 19de eeuw, na 1828, een methode ontdekte om het meeste vet van de cacao boter te verwijderen, gebeurde de grootste groei. Dit betekende de start van de chocolade tabletten en repen.